dinsdag
zelfstandig naamwoord ˈdɪnzdɑxBetekenis
- een dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
Hoe spreek je dinsdag uit?
/ˈdɪnzdɑx/
Dinsdag bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| z | zon |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| di. | |
| dinsdagen | meervoud |
| dinsdagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dinsdagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands dinsendach / dinxdach / dinxendag, in de betekenis van ‘derde dag van de week’ aangetroffen vanaf 1269 eponiem: het eerste lid is afgeleid van de naam van de Germaanse oorlogsgod Tiwaz; de naam van de dag is ontleend aan de naam in het Latijn: dies Martis "de dag van Mars (de Romeinse oorlogsgod)"
Woordfamilie van dinsdag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dinsdagen | meervoud | dinsdag |
| dinsdagje | verkleinwoord | dinsdag |
| dinsdagjes | verkleinwoord meervoud | dinsdag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dinsdag zijn vastgelegd.