differentieel
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- tandwielconstructie waarmee met één aandrijvende as twee uitgaande assen met verschillende snelheden kunnen worden aangedreven
- gerelateerd aan/uitgaand van verschillen of verschillen aanwijzend
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| differentieeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| differentieeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| differentiëlen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘de verschillen aanwijzend’ voor het eerst aangetroffen in 1620
Woordfamilie van differentieel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| differentieels | woordvorm | differentieel |
| differentieelst | woordvorm | differentieel |
| differentieelste | woordvorm | differentieel |
| differentieeltje | verkleinwoord | differentieel |
| differentieeltjes | verkleinwoord meervoud | differentieel |
| differentiële | woordvorm | differentieel |
| differentiëlen | meervoud | differentieel |
| differentiëler | woordvorm | differentieel |
| differentiëlere | woordvorm | differentieel |
| differentiëlers | woordvorm | differentieel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van differentieel zijn vastgelegd.