dauw
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- condensatiedruppels gevormd op de grond door afkoeling van vochtige lucht
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dauwen
- gebiedende wijs van dauwen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dauwen
Vervoeging van dauw
dauwhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘gecondenseerde waterdamp’ voor het eerst aangetroffen in 1100