dankdag
zelfstandig naamwoord ˈdɑŋɡdɑxBetekenis
- dag waarop iemand wordt bedankt
- dankdag voor gewas en arbeid: gedenkdag in het protestantisme in Nederland, waarin er speciaal gedankt (in het najaar) wordt voor de oogst en het werk, meestal op de eerste woensdag van november
Hoe spreek je dankdag uit?
/ˈdɑŋgdɑx/
Dankdag bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| g | goal |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- speciale dag om God ergens voor te bedanken
- speciale dag waarop iemand wordt bedankt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dankdagen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van dank zn en dag zn
Woordfamilie van dankdag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dankdagen | meervoud | dankdag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dankdag zijn vastgelegd.