dagprijs
zelfstandig naamwoord 'dɑxprɛɪsBetekenis
- de hoeveelheid geld die men per dag moet betalen om ergens gebruik van te mogen maken
- de prijs die men kan behalen bij een wedstrijd die één dag duurt (meestal als deel van een meerdaagse wedstrijd)
Hoe spreek je dagprijs uit?
/ˈdɑxprɛis/
Dagprijs bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| p | pak |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dagprijsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dagprijsjes | verkleinwoord, meervoud |
| dagprijzen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van dag zn en prijs zn
Woordfamilie van dagprijs
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dagprijsje | verkleinwoord | dagprijs |
| dagprijsjes | verkleinwoord meervoud | dagprijs |
| dagprijzen | meervoud | dagprijs |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dagprijs zijn vastgelegd.