crack
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- uitblinker
- gevaarlijke harddrug met door verwarming gezuiverde cocaïne als hoofdbestanddeel
- scheur, kloof
- kraken, openbreken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| cracks | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van cracken
- gebiedende wijs van cracken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van cracken
Vervoeging van crack
crackhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘uitblinker in sport’ voor het eerst aangetroffen in 1897
Woordfamilie van crack
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cracks | meervoud | crack |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van crack zijn vastgelegd.