conservator
zelfstandig naamwoordBetekenis
- bewaarder in musea en bibliotheken belast met de aanschaf van en de zorg voor de collectie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| conservatoren | meervoud |
| conservators | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bewaarder, toezichthouder’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van conservator
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| conservatoren | meervoud | conservator |
| conservators | meervoud | conservator |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van conservator zijn vastgelegd.