climax
zelfstandig naamwoord 'klimɑksBetekenis
- iets cruciaals waar in de loop van het verhaal naartoe gewerkt wordt
- een opsomming waarbij de opgesomde delen geleidelijk in sterkte toenemen
- het einde van een ecologische successie waarbij de biomassa constant blijft
- maximale waarde, uiterste
Hoe spreek je climax uit?
/ˈklimɑks/
Climax bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| i | riet |
| m | maan |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| climaxen | meervoud |
| climaxje | verkleinwoord, enkelvoud |
| climaxjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘hoogtepunt’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van climax
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| climaxen | meervoud | climax |
| climaxje | verkleinwoord | climax |
| climaxjes | verkleinwoord meervoud | climax |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van climax zijn vastgelegd.