circuit
zelfstandig naamwoord sɪrˈkwiBetekenis
- omloop (voor snelheidswedstrijden)
- elektronisch netwerk
- andersoortige omloop
- afgebakende vliegroute
- gesloten groep mensen die met elkaar omgaan, kring
- rondgang langs verschillende apparaten in een sportschool
Hoe spreek je circuit uit?
/sɪrˈkwi/
Circuit bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɪ | pit |
| r | rood |
| k | kat |
| w | quiz |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- elektrisch netwerk, schakeling [3], stroomschakeling
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| circuitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| circuitjes | verkleinwoord, meervoud |
| circuits | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de (later verder uitgebreide) betekenis van ‘gesloten baan, gesloten groep’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1663
Woordfamilie van circuit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| circuitje | verkleinwoord | circuit |
| circuitjes | verkleinwoord meervoud | circuit |
| circuits | meervoud | circuit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van circuit zijn vastgelegd.