chronometer
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| chronometers | meervoud |
| chronometertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| chronometertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tijdmeter’ voor het eerst aangetroffen in 1786
Woordfamilie van chronometer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| chronometers | meervoud | chronometer |
| chronometertje | verkleinwoord | chronometer |
| chronometertjes | verkleinwoord meervoud | chronometer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van chronometer zijn vastgelegd.