cavia
zelfstandig naamwoord ˈkavijaBetekenis
- van oorsprong Zuid-Amerikaans knaagdieren die vooral als huisdier gehouden worden
Hoe spreek je cavia uit?
/ˈkavija/
Cavia bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| v | vis |
| i | riet |
| j | ja |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia, van oorsprong afkomstig uit Zuid-Amerika, die vooral als huisdier gehouden worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| cavia's | meervoud |
| caviaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| caviaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Portugees cávia dat door het wegvallen van de cedille ontstond uit de vertaling 'çavia' van Tupinambá saujá, in de betekenis van ‘knaagdier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1853
Woordfamilie van cavia
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| caviaatje | verkleinwoord | cavia |
| caviaatjes | verkleinwoord meervoud | cavia |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cavia zijn vastgelegd.