cash
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- contant
- contant geld
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van cashen
- gebiedende wijs van cashen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van cashen
Vervoeging van cash
cashhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, voor de verdere etymologie zie aldaar. In de betekenis van ‘bijwoord: contant’ voor het eerst aangetroffen in 1912