casco
zelfstandig naamwoord 'kɑskoBetekenis
- romp van een gebouw, auto of schip dus zonder de inrichting
- helm
- hoef
Hoe spreek je casco uit?
/ˈkɑsko/
Casco bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| casco's | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘romp van schip of auto’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1614
Woordfamilie van casco
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| casco's | meervoud | casco |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van casco zijn vastgelegd.