carnaval
zelfstandig naamwoord ˈkɑrnavɑlBetekenis
- volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden, en dat plaatsvindt gedurende de vier dagen die aan de vastentijd voorafgaan
Hoe spreek je carnaval uit?
/ˈkɑrnavɑl/
Carnaval bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| n | nek |
| a | maan |
| v | vis |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| carnavalletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| carnavalletjes | verkleinwoord, meervoud |
| carnavals | meervoud |
Herkomst
via Frans carnaval van Italiaans carnevale ontstaan uit middeleeuws Latijn carne zn "vlees" en levare ww "opheffen", in de betekenis van ‘drie dagen voor vasten’ voor het eerst aangetroffen in 1651 Andere verklaringen zoals de Latijnse frase 'carne vale' ("vlees, vaarwel") of een verbastering van 'carrus navalis' "bootwagen, als deel van een optocht", worden tegenwoordig als volksetymologie beschouwd.
Woordfamilie van carnaval
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| carnavalletje | verkleinwoord | carnaval |
| carnavalletjes | verkleinwoord meervoud | carnaval |
| carnavals | meervoud | carnaval |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van carnaval zijn vastgelegd.