canapé
zelfstandig naamwoord kana'peBetekenis
- bank om op te zitten of te liggen en alle standen daar tussen in
- stukje geroosterd brood zonder korst
- een conventie waarbij een speler zijn langste kleur eerst met zijn tweede bod aangeeft
Hoe spreek je canapé uit?
/kanaˈpe/
Canapé bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| n | nek |
| p | pak |
| e | veel |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bank om op te zitten of te liggen en alle standen daartussenin
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| canapeetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| canapeetjes | verkleinwoord, meervoud |
| canapés | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bank’ voor het eerst aangetroffen in 1734
Woordfamilie van canapé
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| canapeetje | verkleinwoord | canapé |
| canapeetjes | verkleinwoord meervoud | canapé |
| canapés | meervoud | canapé |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van canapé zijn vastgelegd.