camper
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een auto met een ruimte waarin men kan overnachten en/of leven
- kampeerder
- camper, zwerfauto, kampeerauto
- iemand die in een videospel (van het genre first-person shooter) op één plek blijft
- kamperen
zelfstandig naamwoord — masculine
- een auto met een extra ruimte waarin men kan overnachten en/of leven
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| campers | meervoud |
| campertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| campertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘kampeerwagen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1984
Woordfamilie van camper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| campers | meervoud | camper |
| campertje | verkleinwoord | camper |
| campertjes | verkleinwoord meervoud | camper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van camper zijn vastgelegd.