cactus
zelfstandig naamwoord ˈkɑktʏsBetekenis
- een vetplant met stekels
Hoe spreek je cactus uit?
/ˈkɑktʏs/
Cactus bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| t | tak |
| ʏ | put |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor een vetplant met stekels uit de familie Cactaceae
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| cactusje | verkleinwoord, enkelvoud |
| cactusjes | verkleinwoord, meervoud |
| cactussen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘plantenfamilie’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1775
Woordfamilie van cactus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cactusje | verkleinwoord | cactus |
| cactusjes | verkleinwoord meervoud | cactus |
| cactussen | meervoud | cactus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cactus zijn vastgelegd.