buitenvrouw
zelfstandig naamwoordBetekenis
- bijzit, maîtresse
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buitenvrouwen | meervoud |
| buitenvrouwtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| buitenvrouwtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Surinaams-Nederlands, in de betekenis van ‘elders wonende bijzit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1971
Woordfamilie van buitenvrouw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buitenvrouwen | meervoud | buitenvrouw |
| buitenvrouwtje | verkleinwoord | buitenvrouw |
| buitenvrouwtjes | verkleinwoord meervoud | buitenvrouw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buitenvrouw zijn vastgelegd.