buitenkans
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een onverwachte, maar heel goede mogelijkheid
- meevaller, mazzeltje, gelukje
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buitenkansen | meervoud |
| buitenkansje | verkleinwoord, enkelvoud |
| buitenkansjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘onverwachte kans’ voor het eerst aangetroffen in 1642
Woordfamilie van buitenkans
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buitenkansen | meervoud | buitenkans |
| buitenkansje | verkleinwoord | buitenkans |
| buitenkansjes | verkleinwoord meervoud | buitenkans |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buitenkans zijn vastgelegd.