buffet
zelfstandig naamwoord /ˈbyfɛt/Betekenis
- meubelstuk waarin men tafelgoed en -zilver opbergt
- tafel met allerlei etenswaar die je zelf kunt uitkiezen en pakken (lopend buffet, wandelbuffet)
Hoe spreek je buffet uit?
/ˈbyfɛt/
Buffet bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| y | fuut |
| f | fiets |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- meestal langgerekte tafel met daarop allerlei etenswaren waaruit men zelf kan uitkiezen en pakken (lopend buffet, wandelbuffet)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buffetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| buffetjes | verkleinwoord, meervoud |
| buffetten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schenktafel, tapkast’ voor het eerst aangetroffen in 1343
Woordfamilie van buffet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buffetje | verkleinwoord | buffet |
| buffetjes | verkleinwoord meervoud | buffet |
| buffetten | meervoud | buffet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buffet zijn vastgelegd.