budget
zelfstandig naamwoord /ˈbʏdʒɛt/Betekenis
- raming van inkomsten en uitgaven
- hoeveelheid (geld)middelen die je voor iets kunt of wilt gebruiken
- hoeveelheid (geld)middelen die je voor iets hebt gebruikt
- begroting
Hoe spreek je budget uit?
/ˈbʏdʒɛt/
Budget bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ʏ | put |
| d | dak |
| ʒ | journaal |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- hoeveelheid (geld)middelen die men voor iets kan of wil gebruiken
- hoeveelheid (geld)middelen die voor iets is gebruikt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| budgetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| budgetjes | verkleinwoord, meervoud |
| budgets | meervoud |
| budgetten | meervoud |
Herkomst
via Frans budget of direct van Engels budget, in de betekenis van ‘begroting’ aangetroffen vanaf 1816
Woordfamilie van budget
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| budgetje | verkleinwoord | budget |
| budgetjes | verkleinwoord meervoud | budget |
| budgets | meervoud | budget |
| budgetten | meervoud | budget |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van budget zijn vastgelegd.