bruikleen
zelfstandig naamwoord 'brœyklenBetekenis
- lening waarbij de uitlener aan de ontlener om niet een niet-vervangbaar|vervangbare goed in gebruik verlenen|verleent, onder de verplichting dat de ontlener, na daarvan gebruik te hebben gemaakt of na een bepaalde tijd, dat goed teruggeven|teruggeeft
Hoe spreek je bruikleen uit?
/ˈbrœyklen/
Bruikleen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| œy | huis |
| k | kat |
| l | land |
| e | veel |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- lening waarbij de uitlener aan de ontlener om niet een niet-vervangbare goed in gebruik verleent, onder de verplichting dat de ontlener, na daarvan gebruik te hebben gemaakt of na een bepaalde tijd, dat goed teruggeeft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bruikleentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bruikleentjes | verkleinwoord, meervoud |
| bruiklenen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘lening voor tijdelijk gebruik’ voor het eerst aangetroffen in 1675
Woordfamilie van bruikleen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bruikleentje | verkleinwoord | bruikleen |
| bruikleentjes | verkleinwoord meervoud | bruikleen |
| bruiklenen | meervoud | bruikleen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bruikleen zijn vastgelegd.