bouwvak
zelfstandig naamwoord /ˈbaʊvɑk/Betekenis
- de tijd waarin bouwvakkers vakantie hebben
- een vak dat betrekking heeft tot bouwen
Hoe spreek je bouwvak uit?
/ˈbaʊvɑk/
Bouwvak bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| a | maan |
| ʊ | boek |
| v | vis |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bouwvakken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van bouw en vakantie (1)
Woordfamilie van bouwvak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bouwvakken | meervoud | bouwvak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bouwvak zijn vastgelegd.