bouwmarkt
zelfstandig naamwoord ˈbɑumɑrᵊktBetekenis
- handelsonderneming die bouwmaterialen, gereedschap en doe-het-zelfartikelen verkoopt
Hoe spreek je bouwmarkt uit?
/ˈbɑumɑrəkt/
Bouwmarkt bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑu | koud |
| m | maan |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| ə | de |
| k | kat |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bouwmarkten | meervoud |
| bouwmarktje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bouwmarktjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van bouw ww en markt
Woordfamilie van bouwmarkt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bouwmarkten | meervoud | bouwmarkt |
| bouwmarktje | verkleinwoord | bouwmarkt |
| bouwmarktjes | verkleinwoord meervoud | bouwmarkt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bouwmarkt zijn vastgelegd.