bougie
zelfstandig naamwoord bu'ʒiBetekenis
- het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
Hoe spreek je bougie uit?
/buˈʒi/
Bougie bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| u | boek |
| ʒ | journaal |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- kaars [1]
- staafvormig chirurgisch instrument dat wordt gebruikt om een lichaamskanaal (m.n. de urethra) te verwijden
- smal en onverglaasd potje van gebakken pijpaarde dat wordt gebruikt in bijv. waterfilters
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bougies | meervoud |
| bougietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bougietjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans. In de betekenis van ‘kaars’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824, in de betekenis van ‘vonkbrug’ voor het eerst in het jaar 1917
Woordfamilie van bougie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bougies | meervoud | bougie |
| bougietje | verkleinwoord | bougie |
| bougietjes | verkleinwoord meervoud | bougie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bougie zijn vastgelegd.