bosvrucht
zelfstandig naamwoord 'bɔsfrʏxtBetekenis
- een mengsel van fruit dat oorspronkelijk vooral in de bossen en in de directe omgeving daarvan te vinden was. Het gaat in het algemeen om rood, blauw of paars kleinfruit dat aan struiken groeit. Hiertoe horen bijvoorbeeld frambozen, aardbeien, aalbessen, bramen en bosbessen
Hoe spreek je bosvrucht uit?
/ˈbɔsfrʏxt/
Bosvrucht bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| s | sok |
| f | fiets |
| r | rood |
| ʏ | put |
| x | acht |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bosvruchten | meervoud |
| bosvruchtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bosvruchtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van bos zn en vrucht zn
Woordfamilie van bosvrucht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bosvruchten | meervoud | bosvrucht |
| bosvruchtje | verkleinwoord | bosvrucht |
| bosvruchtjes | verkleinwoord meervoud | bosvrucht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bosvrucht zijn vastgelegd.