bidstoel
zelfstandig naamwoord ˈbɪtstulBetekenis
- een stoel waarop men kan zitten en als men de zitting opklapt op kan knielen om te bidden.
Hoe spreek je bidstoel uit?
/ˈbɪtstul/
Bidstoel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| s | sok |
| u | boek |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bidstoelen | meervoud |
| bidstoeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bidstoeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van bid en stoel
Woordfamilie van bidstoel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bidstoelen | meervoud | bidstoel |
| bidstoeltje | verkleinwoord | bidstoel |
| bidstoeltjes | verkleinwoord meervoud | bidstoel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bidstoel zijn vastgelegd.