bezit
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- datgene wat men bezit of hebt
- het houden of genieten van een goed, dat iemand in persoon, of door een ander in zijn feitelijke macht heeft, alsof het aan hem toebehoort
zelfstandig naamwoord — neuter
- datgene wat men bezit of heeft
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van bezitten
- gebiedende wijs van bezitten
Vervoeging van bezit
bezithele werkwoord