bezetter
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bezetters | meervoud |
| bezettertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bezettertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van bezet
Herkomst
Van de werkwoordsstam bezet met het achtervoegsel -der dat door progressieve assimilatie is veranderd in -ter
Woordfamilie van bezetter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bezettertje | verkleinwoord | bezetter |
| bezettertjes | verkleinwoord meervoud | bezetter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezetter zijn vastgelegd.