bassin
zelfstandig naamwoord bɑˈsɛ̃Betekenis
- bekken met een ondoorlaatbare bodem waarin water opgelagen kan worden
Hoe spreek je bassin uit?
/bɑˈsɛ/
Bassin bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- bekken met een ondoorlaatbare bodem waarin water opgeslagen kan worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bassins | meervoud |
| bassintje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bassintjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘waterbekken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824
Woordfamilie van bassin
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bassins | meervoud | bassin |
| bassintje | verkleinwoord | bassin |
| bassintjes | verkleinwoord meervoud | bassin |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bassin zijn vastgelegd.