bamboe
zelfstandig naamwoord ˈbɑmbuBetekenis
- een reuzengrassoort afkomstig uit Azië waarvan de scheuten van sommigen eetbaar zijn
- stok gemaakt van bamboe
Hoe spreek je bamboe uit?
/ˈbɑmbu/
Bamboe bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| u | boek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor reuzengrassoorten uit de onderfamilie Bambusoideae, afkomstig uit Azië waarvan de scheuten van sommigen eetbaar zijn
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [2]: bamboezen | meervoud |
| bamboes | meervoud |
| bamboetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bamboetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Indonesisch, in de betekenis van ‘grasachtige plantengeslachten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1596
Woordfamilie van bamboe
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bamboes | meervoud | bamboe |
| bamboetje | verkleinwoord | bamboe |
| bamboetjes | verkleinwoord meervoud | bamboe |
| bamboezen | meervoud | bamboe |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bamboe zijn vastgelegd.