babbelaar
zelfstandig naamwoord 'bɑbəlarBetekenis
- iemand die veel kletst
- geel kleurig snoepje uit Zeeland gemaakt van boter, suiker, water, azijn en wat zout
Hoe spreek je babbelaar uit?
/ˈbɑbəlar/
Babbelaar bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| ə | de |
| l | land |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- geel kleurig snoepje uit Zeeland gemaakt van boter, suiker, water, azijn en wat zout, boterbabbelaar
- een zangvogel uit de familie Leiothrichidae
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| babbelaars | meervoud |
| babbelaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| babbelaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘snoepje’ voor het eerst aangetroffen in 1872
Woordfamilie van babbelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| babbelaartje | verkleinwoord | babbelaar |
| babbelaartjes | verkleinwoord meervoud | babbelaar |
| babbelaren | meervoud | babbelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van babbelaar zijn vastgelegd.