autoriteit
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de overheid, het bevoegd gezag
- een persoon met veel kennis op een bepaald gebied
zelfstandig naamwoord
- macht en gezag
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| autoriteiten | meervoud |
| autoriteitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| autoriteitjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘gezag’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van autoriteit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| autoriteiten | meervoud | autoriteit |
| autoriteitje | verkleinwoord | autoriteit |
| autoriteitjes | verkleinwoord meervoud | autoriteit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van autoriteit zijn vastgelegd.