arbeidstijdverkorting
zelfstandig naamwoord ˈɑrbɛitsˌtɛitfərˌkɔrtɪŋBetekenis
- Nederlands regelgevend kader waarbij het totaal aantal dagen dat een werknemer per jaar werkt verminderd wordt, bij arbeidsduurverkorting neemt het aantal gewerkte uren per dag of per week af
Hoe spreek je arbeidstijdverkorting uit?
/ˈɑrbɛitsˌtɛitfərˌkɔrtɪŋ/
Arbeidstijdverkorting bestaat uit zes lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
| b | bak |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| s | sok |
| f | fiets |
| ə | de |
| k | kat |
| ɔ | bot |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| arbeidstijdverkortingen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van arbeidstijd zn en verkorting zn
Woordfamilie van arbeidstijdverkorting
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| arbeidstijdverkortingen | meervoud | arbeidstijdverkorting |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van arbeidstijdverkorting zijn vastgelegd.