arbeidskracht
zelfstandig naamwoord 'ɑrbɛɪtskrɑxtBetekenis
- het vermogen om arbeid te (kunnen) verrichten
- ieder van de personen die aan voornoemd criterium voldoen of daadwerkelijk werken
Hoe spreek je arbeidskracht uit?
/ˈɑrbɛitskrɑxt/
Arbeidskracht bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
| b | bak |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| s | sok |
| k | kat |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| arbeidskrachten | meervoud |
| arbeidskrachtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| arbeidskrachtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van arbeid en kracht met het invoegsel -s-
Woordfamilie van arbeidskracht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| arbeidskrachten | meervoud | arbeidskracht |
| arbeidskrachtje | verkleinwoord | arbeidskracht |
| arbeidskrachtjes | verkleinwoord meervoud | arbeidskracht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van arbeidskracht zijn vastgelegd.