appendix
zelfstandig naamwoord /ɑˈpɛndɪks/Betekenis
- iets wat ergens aan hangt, aanhangsel
- wormvormig aanhangsel van de blindedarm
- driehoekig uitgroeisel aan de lip van orchideeën van het geslacht spiegelorchis (Ophrys)
- bijlage, document dat aan een ander schriftstuk toevoegd wordt (bv. een rekening)
- aanvullende informatie die achteraan een document toegevoegd wordt
Hoe spreek je appendix uit?
/ɑˈpɛndɪks/
Appendix bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| p | pak |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| d | dak |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| appendices | meervoud |
| appendixje | verkleinwoord, enkelvoud |
| appendixjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘aanhangsel’ voor het eerst aangetroffen in 1538
Woordfamilie van appendix
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| appendices | meervoud | appendix |
| appendixje | verkleinwoord | appendix |
| appendixjes | verkleinwoord meervoud | appendix |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van appendix zijn vastgelegd.