ansjovis
zelfstandig naamwoord ɑnˈʃovɪsBetekenis
- die vooral om hun smaak aan gerechten worden toegevoegd
- die in de wateren rond Europa voorkomt
Hoe spreek je ansjovis uit?
/ɑnˈʃovɪs/
Ansjovis bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| n | nek |
| ʃ | sjaal |
| o | boot |
| v | vis |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bewerkte en gezouten kleine visjes uit de familie Engraulidae die vooral om hun smaak aan gerechten worden toegevoegd
- benaming voor klein haringachtige vissen uit de familie Engraulidae
- kleine haringachtige vis Engraulis encrasicolus die in de wateren rond Europa voorkomt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ansjovisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ansjovisjes | verkleinwoord, meervoud |
| ansjovissen | meervoud |
Herkomst
gevormd onder invloed van vis zn uit de meervoudsvormen "anchovas/anchoves" van Spaans anchova, Portugees anchova of Catalaans anxova of met het kortere Spaans anchoa zn , in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in 1518 De genoemde vormen kunnen via Ligurisch anciôa en middeleeuws Latijn aphya op Oudgrieks ἀφύη (aphúe) teruggaan, waarmee steeds op een gerecht bestaande uit gebakken kleine visjes wordt gedoeld.
Woordfamilie van ansjovis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ansjovisje | verkleinwoord | ansjovis |
| ansjovisjes | verkleinwoord meervoud | ansjovis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ansjovis zijn vastgelegd.