aminozuur
zelfstandig naamwoord aˈminozyrBetekenis
- bouwstof van de eiwitten, een organische verbinding die zowel een carboxylgroep (-COOH) als een aminegroep (-NH2) bezit
Hoe spreek je aminozuur uit?
/aˈminozyr/
Aminozuur bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| i | riet |
| n | nek |
| o | boot |
| z | zon |
| y | fuut |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- bouwstof van de eiwitten, een organische verbinding die zowel een carboxylgroep (-COOH) als een aminegroep (-NH₂) bezit
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aminozuren | meervoud |
| aminozuurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aminozuurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘organische verbinding die zowel amino- als carboxylgroep bevat’ voor het eerst aangetroffen in 1935
Woordfamilie van aminozuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aminozuren | meervoud | aminozuur |
| aminozuurtje | verkleinwoord | aminozuur |
| aminozuurtjes | verkleinwoord meervoud | aminozuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aminozuur zijn vastgelegd.