albino
zelfstandig naamwoord ɑlˈbinoBetekenis
- een persoon, dier of plant met weinig pigment
albino in een zin
- In het nest zat één albino tussen de grijze jongen.
- De albino had roze ogen en een witte vacht.
- Bij die soort worden zelden albino's geboren.
Let op: Het meervoud krijgt een apostrof: albino's.
Hoe spreek je albino uit?
/ɑlˈbino/
Albino bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| l | land |
| b | bak |
| i | riet |
| n | nek |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| albino's | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Portugees, in de betekenis van ‘mens of dier zonder pigmentkleurstof’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van albino
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| albino's | meervoud | albino |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van albino zijn vastgelegd.