ai
zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel ɑjBetekenis
- tandarm dier uit het Amazonegebied
- uitroep die pijn, schrik of medelijden uitdrukt
- hebben
- ai, o
- ai, ieh, uitroep bij een onaangename verassing
- oog
ai in een zin
- In de boom hing een ai bewegingloos aan een tak.
- De ai bewoog nauwelijks toen we eronder stonden.
- In het regenwoud zagen we twee ais in dezelfde boom.
Hoe spreek je ai uit?
/ɑj/
Ai bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| j | ja |
zelfstandig naamwoord — masculine
- drievingerige zoogdier Bradypus tridactylus, tandarm dier uit het Amazonegebied (Drievingerige luiaard)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ais | meervoud |
| aitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aitjes | verkleinwoord, meervoud |
tussenwerpsel
- uitroep die een onaangename verrassing uitdrukt, zoals pijn, schrik of medelijden informal
Herkomst
zn: via Portugees aí of Frans aï van Tupinambá ai, op te vatten als klanknabootsing van de klaaglijke roep van dit dier
Woordfamilie van ai
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ais | meervoud | ai |
| aitje | verkleinwoord | ai |
| aitjes | verkleinwoord meervoud | ai |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ai zijn vastgelegd.