afzender
zelfstandig naamwoord ˈɑfsɛndərBetekenis
- iemand die iets naar een adres verzenden|verzendt, de verzender
Hoe spreek je afzender uit?
/ˈɑfsɛndər/
Afzender bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die iets naar een adres verzendt, de verzender
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| afzenders | meervoud |
| afzendertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| afzendertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van afzenden met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van afzender
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afzenders | meervoud | afzender |
| afzendertje | verkleinwoord | afzender |
| afzendertjes | verkleinwoord meervoud | afzender |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzender zijn vastgelegd.