acanthus
zelfstandig naamwoord aˈkɑntʏsBetekenis
- Zuid-Europese doornachtige plant met sierlijk krullende bladeren (waarvan de vorm vaak als motief wordt gebruikt)
- bladversiering van Corinthische zuil lijkend op het blad van de plant
Hoe spreek je acanthus uit?
/aˈkɑntʏs/
Acanthus bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| k | kat |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| ʏ | put |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort Zuid-Europese doornachtige plant met sierlijk krullende bladeren, Acanthus mollis uit de familie Acanthaceae, waarvan de vorm vaak als motief wordt gebruikt
- bladversiering van Korinthische zuil lijkend op het blad van de plant
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| acanthusje | verkleinwoord, enkelvoud |
| acanthusjes | verkleinwoord, meervoud |
| acanthussen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘doornachtige plant’ voor het eerst aangetroffen in 1608
Woordfamilie van acanthus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| acanthusje | verkleinwoord | acanthus |
| acanthusjes | verkleinwoord meervoud | acanthus |
| acanthussen | meervoud | acanthus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van acanthus zijn vastgelegd.