acacia
zelfstandig naamwoord aˈkazijaBetekenis
- plant uit het geslacht Acacia
- boom van de soort Robinia pseudoacacia
Hoe spreek je acacia uit?
/aˈkazija/
Acacia bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| k | kat |
| z | zon |
| i | riet |
| j | ja |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een geslacht Acacia van planten uit de onderfamilie Mimosoideae van de vlinderbloemenfamilie (Leguminosae/Fabaceae). Alle soorten zijn houtig
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| acacia's | meervoud |
| acaciaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| acaciaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘boomsoort’ voor het eerst aangetroffen in 1554
Woordfamilie van acacia
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| acacia's | meervoud | acacia |
| acaciaatje | verkleinwoord | acacia |
| acaciaatjes | verkleinwoord meervoud | acacia |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van acacia zijn vastgelegd.