abacus
zelfstandig naamwoord /ˈɑbɑkʏs/Betekenis
- raam met staaf|staven waarop balletjes kunnen schuiven om kinderen te leren rekenen
- dekplaat van een kapiteel
- telraam, abacus
- buffet
- speeltafel
Hoe spreek je abacus uit?
/ˈɑbɑkʏs/
Abacus bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| b | bak |
| k | kat |
| ʏ | put |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- raam met staven waarop balletjes kunnen schuiven om kinderen te leren rekenen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| abacussen | meervoud |
| abaci | meervoud |
| abacusje | verkleinwoord, enkelvoud |
| abacusjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘telraam’ voor het eerst aangetroffen in 1515
Woordfamilie van abacus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| abaci | meervoud | abacus |
| abacusje | verkleinwoord | abacus |
| abacusjes | verkleinwoord meervoud | abacus |
| abacussen | meervoud | abacus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van abacus zijn vastgelegd.