aardvarken
zelfstandig naamwoord /ˈaːrtfɑrkə(n)/Betekenis
- een zoogdier met een lange, kleverige tong dat vooral 's nachts actief is
Hoe spreek je aardvarken uit?
/ˈartfɑrkən/
Aardvarken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| r | rood |
| t | tak |
| f | fiets |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer, dat een lange, kleverige tong heeft, vooral 's nachts actief is en voorkomt in vrijwel geheel Afrika ten zuiden van de Sahara, als enige overlevende vertegenwoordiger van de orde der buistandigen (Tubulidentata)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aardvarkens | meervoud |
| aardvarkentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aardvarkentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van aard zn en varken zn , vanwege de uiterlijke gelijkenis met een varken, feitelijk is er meer verwantschap met olifanten, zeekoeien en klipdassen, in de betekenis van ‘buistandig zoogdier’ aangetroffen vanaf 1727 (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van aardvarken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aardvarkens | meervoud | aardvarken |
| aardvarkentje | verkleinwoord | aardvarken |
| aardvarkentjes | verkleinwoord meervoud | aardvarken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aardvarken zijn vastgelegd.