aardpeer
zelfstandig naamwoord /ˈartpɪːr/Betekenis
- een soort zonnebloem die als vaste plant wordt gekweekt
- eetbare knol van die plant
Hoe spreek je aardpeer uit?
/ˈartpɪr/
Aardpeer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| r | rood |
| t | tak |
| p | pak |
| ɪ | pit |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus, die als vaste plant wordt gekweekt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aardpeertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aardpeertjes | verkleinwoord, meervoud |
| aardperen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van aard zn "van aarde" en peer zn "vrucht" , omdat de knol wat peervormig is
Woordfamilie van aardpeer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aardpeertje | verkleinwoord | aardpeer |
| aardpeertjes | verkleinwoord meervoud | aardpeer |
| aardperen | meervoud | aardpeer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aardpeer zijn vastgelegd.