aardappel
zelfstandig naamwoord ˈardɑpəlBetekenis
- plant van de soort (Nachtschadefamilie)
- en hun knollen
Hoe spreek je aardappel uit?
/ˈardɑpəl/
Aardappel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| r | rood |
| d | dak |
| ɑ | bad |
| p | pak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort plant, Solanum tuberosum, uit de nachtschadefamilie
- eetbare knol van Solanum tuberosum
- benaming voor planten uit het geslacht Cyclamen en hun knollen obsolete
- dom persoon ironic, pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aardappelen, aardappels | meervoud |
| aardappeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aardappeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands erdappel, op te vatten als samenstelling van aarde zn en appel zn , met "appel" in de meer algemene betekenis "rond voorwerp", wellicht een leenvertaling van Latijn malum terrae **[1], [2] als benaming voor (knollen van) aardappelplanten aangetroffen vanaf 1708 **[3] als benaming voor (knollen van) cyclamen, een plantengeslacht met knollen die varkens graag eten, in die betekenis aangetroffen vanaf 1351
Woordfamilie van aardappel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aardappelen | meervoud | aardappel |
| aardappels | meervoud | aardappel |
| aardappeltje | verkleinwoord | aardappel |
| aardappeltjes | verkleinwoord meervoud | aardappel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aardappel zijn vastgelegd.