zindelijk
bijvoeglijk naamwoord ˈzɪndələkBetekenis
- de natuurlijke behoeften beheersend en uitoefenend op een aangewezen plaats
- van kinderen: poepend en plassend op een toiletpot
- van huisdieren: alleen buitenshuis of binnenshuis op een daarvoor bestemde plaats (als een kattenbak) poepend en plassend
- helder, proper, rein, schoon
- ethisch of rationeel zuiver (puur)
Hoe spreek je zindelijk uit?
/ˈzɪndələk/
Zindelijk bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zindelijke | verbogen, stellende trap |
| zindelijker | onverbogen, vergrotende trap |
| zindelijkere | verbogen, vergrotende trap |
| zindelijkers | partitief, vergrotende trap |
| zindelijks | partitief, stellende trap |
| zindelijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| zindelijkste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
van Middelnederlands sindelijc "zinnelijk", op te vatten als afgeleid van zinnelijk met het invoegsel -d- met het achtervoegsel -lijk in de betekenis van ‘schoon, proper’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1612
Woordfamilie van zindelijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zindelijke | verbogen vorm | zindelijk |
| zindelijker | vergrotende trap | zindelijk |
| zindelijkere | verbogen vergrotende trap | zindelijk |
| zindelijkers | partitieve vergrotende trap | zindelijk |
| zindelijks | partitive, positive | zindelijk |
| zindelijkst | uninflected, superlative | zindelijk |
| zindelijkste | inflected, superlative | zindelijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zindelijk zijn vastgelegd.