ziekelijk
bijvoeglijk naamwoord, bijwoordBetekenis
- geneigd om vaak ziek te zijn
- geestelijk ongezond
- op geestelijk ongezonde wijze
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ziekelijke | verbogen, stellende trap |
| ziekelijker | onverbogen, vergrotende trap |
| ziekelijkere | verbogen, vergrotende trap |
| ziekelijkers | partitief, vergrotende trap |
| ziekelijks | partitief, stellende trap |
| ziekelijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| ziekelijkste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
Afgeleid van ziek met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
Woordfamilie van ziekelijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ziekelijke | verbogen vorm | ziekelijk |
| ziekelijker | vergrotende trap | ziekelijk |
| ziekelijkere | verbogen vergrotende trap | ziekelijk |
| ziekelijkers | partitieve vergrotende trap | ziekelijk |
| ziekelijks | partitive, positive | ziekelijk |
| ziekelijkst | uninflected, superlative | ziekelijk |
| ziekelijkste | inflected, superlative | ziekelijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ziekelijk zijn vastgelegd.