zesvoud
zelfstandig naamwoord, bijwoord ˈzɛsfɑutBetekenis
- zes maal zo grote hoeveelheid
- natuurlijk getal dat deelbaar is door zes
- zesmaal, op zes manieren, in zes opzichten, in zes onderdelen
Hoe spreek je zesvoud uit?
/ˈzɛsfɑut/
Zesvoud bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛ | bed |
| s | sok |
| f | fiets |
| ɑu | koud |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- zesmaal zo grote hoeveelheid
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zesvouden | meervoud |
Herkomst
afgeleid van zes met het achtervoegsel -voud
Woordfamilie van zesvoud
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zesvouden | meervoud | zesvoud |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zesvoud zijn vastgelegd.